Textiel

17e eeuw

Kazuifel

Kazuifel

17e eeuw - geloof - parochie H.H. Agatha en Barbara, Oudenbosch - h. 218 mm

Een kazuifel is het opperkleed van een priester. De bovenkleding was rijk versierd om de luister van de eredienst te verhogen. Ze werd gemaakt uit kostbare stoffen. Geborduurd werd met goud- en zilverdraad. Zes kleuren waren toegestaan: wit, rood, groen, paars, zwart of roze. Voor de versiering bestonden geen regels. De achterzijde werd het rijkst bewerkt omdat de priesters tot 1968 de mis opdroegen met hun rug naar de gelovigen toe. Er werden religieuze symbolen gebruikt, maar vooral veel motieven uit de flora en fauna.

Dit kazuifel heeft een decoratie van bloemen en vogels. De kleuren moeten er vroeger schitterend hebben uitgezien.

18e eeuw

Dalmatiek

Dalmatiek

1748 - N. Vercaren - geloof - parochie O.L.V. Hemelvaart, Breda

De decoratie op deze dalmatiek bestaat uit Chinese motieven. Op een label staat: besorcht door P. Nicolaes coster synde in het jaer 1748 gemaekt door N. Vercaren.'
Kazuifel

Kazuifel

18e eeuw - geloof - kardinaal Joannes van Franckenberg (1726-1804)

Dit kazuifel behoorde toe aan kardinaal van Franckenberg, aartsbisschop van Mechelen. Hij was tegenstander van de politiek van Napoleon. Dit leidde tot zijn gevangenneming en verbanning naar Duitsland. In 1802 vestigde hij zich in Breda waar hij bisschoppelijke functies uitoefende. Twee jaar later overleed hij. Vanwege zijn vriendelijke gedrag stond hij bekend als de 'heilige kardinaal'.

Van Franckenbergs kazuifel is uitgevoerd in Lodewijk XVI-stijl. Het heeft symmetrische patronen van schelpen, veren en voluten. Daartussen zijn bloemen en vruchten aangebracht.
Kazuifel

Kazuifel

18e eeuw - geloof - parochie H. Joannes de Doper, Lage Zwaluwe

Op dit kazuifel zijn vogels en bloemen geborduurd. Tijdens de
watersnoodramp van 1953 heeft het kazuifel enige tijd in het water gelegen.

19e eeuw

Baroniemuts

Baroniemuts

19e eeuw

Vrouwen uit de Baronie droegen een dubbele muts, zo genoemd vanwege de dubbele voorstrook. De lange vleugels kenmerken de Baroniemuts, gemaakt van kant en soms gecombineerd met gaas. Mutsen van voor 1900 hebben een goed te herkennen dubbele voorstrook: gaas waaraan een strook kant is gezet. In het begin van de vorige eeuw zijn de mutsen in veel gevallen zo geplooid dat de dubbele voorstrook amper is te herkennen. Met een draad werd de strook omhoog gebogen, zodat het gezicht beter was te zien. Voornamelijk jonge meisjes deden dat. In tegenstelling tot Zeeland bijvoorbeeld is in Breda en omgeving de klederdracht al heel lang voor Tweede Wereldoorlog uit het straatbeeld verdwenen.
Brabants schoudermanteltje

Brabants schoudermanteltje

ca. 1820

Dit soort schoudermanteltjes of pelerientjes werd vanaf het midden van de achttiende eeuw met name in Noord-Brabant in de winter gedragen. Het cirkelvormige manteltje van katoen is gevoerd met groen laken. Laken is een stevige gladde wollen stof. Het is als voeringstof praktisch en functioneel, omdat het geen wind doorlaat. Tot eind negentiende eeuw is dit een typisch kledingstuk voor de minder draagkrachtige boerinnen en burgervrouwen.
Dalmatiek

Dalmatiek

ca. 1800 - geloof - parochie H. Barbara, Breda

Een dalmatiek wordt gedragen door de diaken. Het ontleent zijn naam aan een profaan kleed dat veel in Dalmatië gedragen werd en van Dalmatische wol gemaakt was. Een dalmatiek is nauwelijks te onderscheiden van een tuniek, het kleed van de subdiaken. Met het kazuifel vormen deze gewaden het zogenaamd driestel.
Damesjacquet

Damesjacquet

ca. 1888 - J. Skladny, Den Haag

Dit jasje van zwarte ripszijde, ook wel chasseur of jacquet genoemd, is aan de voorkant strak getailleerd en lijkt een manteltje te zijn geweest voor een goed geproportioneerde slanke dame. Het achterpand is echter zo gesneden, dat dit ruimte biedt aan een gigantische derriére. Dit manteltje werd gedragen over een rok met tournure. Op dit jasje zie je in de decoratie met kant het Japanse motief van chrysantjes terug. Het damesjacquet werd gemaakt door het exclusieve Oostenrijkse kledinghuis Skladny, dat zoals zoveel buitenlandse kledinghuizen in die tijd in Den Haag gevestigd was.
Geklede japon

Geklede japon

ca. 1890

De zwarte japon met sleepje van zijdedamast was wellicht van een minder bemiddelde dame uit een kleine provinciestad. De japon is lang en veel gedragen. Ze is vermaakt toen de draagster dikker werd en de versleten mouwen zijn hersteld met talrijke stukjes stof. Kleding was duur en het arbeidsloon laag. Het was dus veel goedkoper om een japon te laten vermaken dan een nieuwe te kopen. Zwart was een kleur die met name in de tweede helft van de negentiende eeuw veel gedragen werd. Ze voldeed voor allerlei min of meer officiële gelegenheden zoals kerkbezoek of receptie. Vrouwen gingen bovendien andere eisen stellen aan hun kleding, doordat ze mobieler werden.
Getailleerde japon

Getailleerde japon

ca. 1890

Deze japon heeft een zeer kleine taillewijdte. Het dragen van een korset is hier de oorzaak van. De taille diende een doorsnee van 18 tot 24 cm. te hebben, 12 cm. smaller dan de doorsnee van de heupen en 16 cm. smaller dan de doorsnee van de schouders. De rok is aan de voorkant glad en heeft achter enkele platte plooien. Het geraffineerde bij dit soort japonnen zit in de onderrok. Hiervan droeg men er twee; een van taf- en een van moirézijde. Bij de minste of geringste beweging veroorzaakten die onderrokken een zacht ritselend geluid; het zogeheten "frou-frou".
Jakje

Jakje

ca. 1850

Het paarsrode jakje, gemaakt van eenvoudig katoen, is hand genaaid en heeft een linnen voering. Deze jakjes werden gedragen door boerinnen en eenvoudige burgervrouwen. Het Brabantse kledingstuk was niet echt aan mode onderhevig en werd vaak nog decennia lang gekopieerd. Het was plattelandskleding die op de eerste plaats praktisch en sterk moest zijn, zodat ze lang mee kon. Bovendien moest de kleding warm zijn, want binnenshuis was het vaak koud.
Japon met crinoline

Japon met crinoline

ca. 1860

In de 19e eeuw had dameskleding louter een representatieve functie. Ze was bedoeld om te imponeren en de status van de echtgenoot te benadrukken. Deze japon bestaat uit een strak lijfje en een wijde, boluitstaande rok met een doorsnee van twee meter. Een crinoline veroorzaakt de wijduitstaande rok. Deze hoepelrok bestaat uit een tailleband met zes verticale lange, smalle kantoenen banden. Op regelmatige afstand worden hieraan metalen hoepels bevestigd, die van boven naar beneden steeds groter worden. Dit soort kleding was volkomen ongeschikt voor het verrichten van huishoudelijke arbeid.
Jasje Zoeavenuniform

Jasje Zoeavenuniform

ca. 1860

Het blauwe uniformjasje is kraagloos en afgezet met rode biezen. Het gehele uniform bestond daarnaast uit een pofbroek tot onder de knie, leren slobkousen en een fez. Het woord "zoeaven" komt van het Arabische "Zouaouna". Dit is de naam van een bergstam uit Algerije, die lijfwachten aan Berbervorsten leverde. De zoeaven maakten grote indruk door hun krijgshaftig optreden in de Krimoorlog (1853-1856). Het uniformjasje is afkomstig van een pauselijke zoeaaf. Rond 1860 verdedigden ruim drieduizend Nederlandse vrijwilligers samen met Franse en Belgische zoeaven de Kerkelijke Staat.
Lijfje van japon

Lijfje van japon

ca. 1865

Het zijden lijfje was onderdeel van een japon met hoepelrok. Het lijfje heeft een geometrische decoratie van zwart fluweellint. Dit was halverwege de 19e eeuw populair, omdat de onbetwiste modekoning van die tijd Charles Frederic Worth dit ook in veel van zijn ontwerpen toepaste. Er werden bij een rok vaak twee verschillende lijfjes gemaakt. Een hooggesloten exemplaar voor overdag en een gedecolleteerde variant voor 's avonds in het theater of bij het diner.
Namiddagjapon

Namiddagjapon

ca. 1875

Deze japon van bruine zijde is afkomstig uit de garderobe van een welgestelde dame.
Onder de wijde, aan de voorkant rechtvallende rok met sleep, wordt een tournure, een halve hoepelrok, gedragen. Dit zorgt voor de juiste ondersteuning en voor een fier rechtopstaande en zelfbewuste houding. Deze mode is echter niet comfortabel te noemen. Moest er gewerkt worden dan werd de sleep opgeschort. Bij het gaan zitten schoof je de halve hoepelrok opzij, zodat deze naast je zat.
Uniform lakei

Uniform lakei

19e eeuw

Het uniform van de lakei is gemaakt van blauw laken en afgezet met zilvergalon. Hierbij wordt een wit overhemd of plastron gedragen. Voorname chique families in de 19e eeuw woonden in grote statige herenhuizen, waar ze werden omringd door veel personeel. Uiterlijk vertoon was voor hen erg belangrijk. Het personeel diende er daarom goed uit te zien, want zij representeerden de hoge sociale status van hun werkgever. En omdat met name de butler en huisknecht in de openbaarheid kwamen werd er voor hen een livrei aangeschaft.
Uniform Orde van de H. Gregorius

Uniform Orde van de H. Gregorius

ca. 1875

Het pak van dondergroen laken heeft een versiering van zilvergalon. De snit is geïnspireerd op het traditionele militaire gala-uniform. De jas was afgeleid van de zogeheten "frack" uit de Napoleontische tijd. Deze kleding gaf de drager status en decorum. Dit tenue heeft toebehoord aan een lid van de Orde van de Heilige Gregorius. De knopen geven daarvoor een aanwijzing. In het midden ervan staat de afbeelding van Paus Gregorius met daaromheen de tekst "Gregorius Magnus". Op de rug van het tenue zit een versiering in eikenbladmotief; symbool voor betrouwbaarheid en standvastigheid. De Orde van de Heilige Gregorius werd ingesteld door Gregorius XVI in 1831 ter ere van Paus Gregorius de Grote. Hij legde oa. de grondslag voor de enorme macht van het middeleeuwse pausdom en bracht eenheid in de naar hem vernoemde kerkzang, het gregoriaans.Het tot lid van de Orde verheven worden geldt als een bijzondere pauselijke onderscheiding.
Zwarte uitgaansjapon

Zwarte uitgaansjapon

ca. 1910

Vergeleken met de uitbundig opgedofte schoonheden uit "La Belle Epoque" was de mode was bescheiden en eenvoudig. Onder de recht naar beneden vallende enkellange japon met verhoogde taille zat een goed figuur in plaats van een goed korset. Er ontstond een meer vrouwvriendelijke kleding, omdat vrouwen maatschappelijk actief werden en daardoor onafhankelijker. De kleur zwart kwam voort uit nagedachtenis aan de overleden koning Edward VII.
 

20e eeuw

Dalmatiek

Dalmatiek

ca. 1900 - geloof

De decoratie van dit kleed is uitgevoerd in art nouveau stijl. In het zuiden van Nederland was deze stijl onder invloed van België lange tijd populair. Kenmerkend zijn de gestileerde bloempatronen en een sierlijke lijnvoering.
Regenboogtrui

Regenboogtrui

1936

Deze regenboogtrui behoorde de wielenrenner Kees Pellenaars, ex-timmerman uit Terheyden, toe. In 1934 werd hij in Leipzig wereldkampioen op de weg bij de amateurs. Twee jaar later behaalde hij de titel bij de profs. Toch schreef Pellenaars vooral als ploegleider geschiedenis. Na een bijna fataal ongeluk in de Ronde van Duitsland in 1950 stelde hij een ploeg samen voor de Tour de France. Pellenaars legde zo de basis voor de profwielersport in Nederland. Hij regelde drie sponsors en anm Peters, Wagtmans, Van Est, Dekkers, Schoenmakers, Dielissen en Faanhof mee naar de "Grande Boucle". Na zijn ritzege in Dax mocht Wim van Est als eerste Nederlander de gele trui aantrekken. De volgende dag stortte hij tijdens de afdaling van de Aubisque in een ravijn. Na de val van Van Est nam Pellenaars zijn ploeg uit de strijd.
Japon met klokrok

Japon met klokrok

ca. 1950

In 1947 lanceerde Christian Dior zijn "Ligne Corolle". Het is de benaming voor de romantische retro-mode van wijde klokrokken en slanke tailles. Deze japon is een vereenvoudigde versie van een New Look-creatie. In ons land vond deze mode snel ingang en was te zien in het naoorlogse uitgaansleven.
Japon

Japon

ca. 1905

La Belle Epoque (1900-1910) was een extravagante periode. Een modieuze vrouw behoorde in de begin jaren van de 20e eeuw een zeer slanke taille te hebben. Het "droit-devant" korset drukte door een metalen versteviging de buik naar achteren. De aandacht werd gevestigd op boezem en achterwerk. Extra benadrukking ontstond door het bloezende lijfje en een glad over de heupen vallende, naar beneden toe wijd uitwaaierende klokrok. Een in klokvorm uitwaaierende strook aan de onderkant gaf de rok extra wijdte en zorgde voor een omgekeerde kelkvorm. Door de soepele dunne stof werden vloeiende vormen en lijnen extra geaccentueerd.
Namiddagjapon

Namiddagjapon

ca. 1918

Deze japon van verschillende soorten dunne zwarte stof valt heel soepel om het lichaam. Dat komt door de geraffineerde belijning en stofverwerking. Door de schuin op de draad geknipte rok is de stof hiervan enigszins elastisch, waardoor ze zich bij iedere beweging aanpast. Aan couturiere Madeleine Vionnet komt de eer toe deze techniek van knippen, de zogenaamde bias-cut, te hebben bedacht.
Jurk uit de jaren zestig

Jurk uit de jaren zestig

1950-1960

Eind jaren vijftig van de vorige eeuw begonnen de relaties tussen jongeren en volwassenen zich ingrijpend te wijzigen. Dit is een mouwloze jurk in beige en oranje met een bruin ceintuurtje en geometrisch banenpatroon. De mode in de jaren vijftig wordt niet meer gedomineerd door de Haute Couture uit Parijs, maar de belangrijkste impulsen kwamen van de straat. De jeugd gaf hierbij de toon aan. Zij wilden er niet uit zien als hun moeders en kozen voor de mini-jurk. Deze minimode was jong, dynamisch en vitaal, net als de jeugd uit die jaren. Moeders gingen vervolgens gekleed als hun dochters.
Optical Art Jurk

Optical Art Jurk

1975

In de jaren zeventig is de mode volledig gedemocratiseerd. Het Ik-tijdperk doet zijn intrede. Zelfontplooiing en een eigen identiteit is hierbij belangrijk. Het creëren van een persoonlijke kledingstijl, samengesteld uit de meest uiteenlopende kledingstukken, die bovendien onderling gecombineerd dienen te worden, hoort hierbij. Minder progressief is deze midi-japon met een rok over de knie. Het is een Terlenka-exemplaar in Op-Art dessin. Op(tical) Art is een abstracte vorm van gezichtsbedrog. Met simpele lijntjes of motiefjes worden bollingen en hollingen gesuggereerd. Deze vormen veranderen wanneer je er vanuit een andere gezichtshoek naar kijkt. Zodoende krijg je een beweeglijk optisch effect. Terlenka is de Nederlandse naam voor polyester. Een terlenka jurk is sterk, goedkoop, gemakkelijk te wassen en je hoeft hem niet te strijken. Precies waar een vrouw anno 1975 behoefte aan had.
Jakje

Jakje

ca. 1900

Het blauwe jakje is gemaakt van en gevoerd met katoen en machinaal vervaardigd. Deze jakjes werden gedragen door boerinnen en eenvoudige burgervrouwen. Het Brabantse kledingstuk was niet echt aan mode onderhevig en werd vaak nog decennia lang gekopieerd. Het was plattelandskleding die op de eerste plaats praktisch en sterk moest zijn, zodat ze lang mee kon. Bovendien moest de kleding warm zijn, want binnenshuis was het vaak koud
Boerenbruidspaar

Boerenbruidspaar

1920

De bruidegom draagt een nieuw pak, bestaande uit broek, vest en heuplange jas van zwart laken. Zij draagt een chique bruidsjapon van zwarte zijde, rijk versierd met machinale kant, kraaltjes en een decoratie van soutacheband in fantasiepatroon. De kleding werd gedragen door een rijke boer en boerin uit het West-Brabantse dorpje Wouw. Op het platteland was het gebruikelijk om voor de bruiloft een mooi pak en een mooie jurk aan te schaffen, die ook bij andere gelegenheden, zoals de zondagse kerkgang, gedragen konden worden. Vaak droeg de zwart geklede bruid een witte sluier of hoed.
Cappa Magna katholieke bisschop

Cappa Magna katholieke bisschop

1960

Een cappa magna is een ruime mantel met sleep, van voren tot de voeten afhangend, maar meestal opgeplooid op de armen gedragen. Verder is de mantel uitgerust met een schouderkraag van witbont en overdekt met een grote capuchon. 's Winters wordt de capuchon, die van binnen roze gevoerd is, afgezet met een bontrand. Deze mantel was het waardigheidsteken van kardinalen, bisschoppen en andere prelaten. Bij kardinalen is de cappa magna van rode zijde, bij bisschoppen van paarse stof.
Toog katholieke plebaan

Toog katholieke plebaan

1960

De zwarte kamgaren toog is rood gebiesd en heeft middenvoor 31 rode stoffen knopen. Op de toog kan een losse schoudermantel of –kraag aangehaakt worden. Zowel toog als kraag zijn met purper gevoerd. Vijf rode stoffen knopen tekenen sterk af op de zwarte mouwen. De toog heeft niet alleen toebehoord aan een Bredase geestelijke, maar is ook van Bredase makelaardij. Het woord toog betekent letterlijk bedekking, bekleding. Het duidt een lang gewaad aan, dat vanuit de Oudheid een symbool is van waardigheid, van onafhankelijkheid, van vrijheid. Het lange kleed met hierop een open mantel of stola werd in de vroege Middeleeuwen de kleding van vooraanstaande burgers, geleerden en geestelijken. Een plebaan is de pastoor van de bisschoppelijke kerk. Hij leidt de kerk, waarin ook de bisschop celebreert en is als het ware de eerste onder de pastoors van het hele bisdom.
Uniform kerkbaljuw of "suisse"

Uniform kerkbaljuw of "suisse"

1925

Eind negentiende eeuw, kort na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853, achtte de Paus van Rome het noodzakelijk om het ambt van kerkbaljuw in te stellen. De kerkbaljuw was een veldwachter voor tijdens de katholieke erediensten, zoals de hoogmis, huwelijken en begrafenissen. Hij ging gekleed in een uniform, dat gezag uitstraalde. Over de grof gesneden zwarte jas droeg hij een rode sjerp, met daarop de onverbiddelijke tekst "Orde en Eerbied in Gods Huis". Op zijn hoofd prijkte een napoleontische steek met pluim. In de hand hield hij een hellebaard.
Uniform aanspreker

Uniform aanspreker

ca. 1940

Een aanspreker of aanroeper was diegene, die bij de familieleden en kennissen de mededeling bracht, dat een bepaalde persoon was overleden. Gedurende de uitvaart en lijkstatie liep de aanspreker met de steek op voor de baar uit. Hij ging gekleed in een geheel zwart pak. Op zijn hoofd droeg hij een zwarte driekanten steek, model "Napoleon". De rouwkleur is sinds de zestiende eeuw in het algemeen zwart; daarvoor was ze met name in Germaanse landen wit.
Gala-uniform ritmeester

Gala-uniform ritmeester

1918

Het ceremonieel ritmeesterjasje is gemaakt van zwart ribcord met blauwe uitmonstering. De hoge boord met zilvergalon is bezet met drie sterren. Zowel op de mouwen als bij de knoopsluiting van dit getailleerde tuniek zijn "brandebourgs" gebruikt. Een brandebourg is een gevlochten garneerband. Het uniform krijgt meer allure door het zilverkoord over de schouder en de borst, met rechts twee dennenappels en links drie kwasten. Ritmeester is al sinds eeuwen de aanduiding van een rang en functie binnen het leger, specifiek binnen de cavalerie. Het is de aanspreektitel van een kapitein van een ruiterijafdeling. Hij commandeert het eskadron: een afdeling van 180 ruiters.
Ambtsgewaad burgemeester

Ambtsgewaad burgemeester

ca. 1959

Het zwartlaken burgemeestersuniform is afgezet met zilveren eikentakken. Het eikenbladmotief staat symbool voor betrouwbaarheid en standvastigheid. Dat is een houding, die ook van een burgemeester verlangd werd. Het ambtgewaad is een gezagssymbool en onderstreept de waardigheid van de burgemeester. Een ander gezagssymbool was de sabel. Nog steeds in gebruik is de keten met ambtspenning, met aan de ene kant het wapen van het rijk en aan de keerzijde het wapen van de gemeente.